Corporatie kan niet uit bestel stappen

Begin september debatteerde de Tweede Kamer over het risico dat corporaties bij de rechter het recht kunnen afdwingen om het bestel te verlaten. Dat risico lijkt evenwel niet al te groot.
Een corporatie is onderworpen aan het regime dat de Woningwet en aanverwante besluiten ten behoeve van de volkshuisvesting opleggen. Ook moeten de statuten van deze instellingen aan bepaalde eisen voldoen. De toelating tot het corporatiebestel hoort dan ook tot het wezen van de instelling.

Het beëindigen van de toelating is wettelijk geregeld. De Woningwet noemt dat ‘het intrekken van de toelating’. Evenals de toelating geschiedt ook het intrekken door de minister. Net zoals een instelling zichzelf niet kan toelaten, kan een eenmaal toegelaten instelling die toelating dus niet zelf intrekken. In grote lijnen is intrekking bovendien slechts mogelijk als de betreffende instelling niet langer uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is of die volkshuisvesting zelfs schade berokkent. In andere gevallen, bijvoorbeeld in geval van een verzoek tot intrekking door een corporatie, is zelfs de minister niet bevoegd om de toelating in te trekken. Van een maas in de wet is dan ook geen sprake.

Dat er naast intrekking geen ruimte is voor niet in de wet voorziene be�indigingvormen volgt uit de wetsystematiek. Het op de Woningwet gebaseerde regime, gericht op sturing en controle ten behoeve van de volkshuisvesting, zou zinledig zijn als een corporatie die sturing en controle eenvoudig kan ontwijken door uit het bestel te treden.

Dat het niet de bedoeling is dat instellingen zelf uit het bestel stappen, blijkt overigens ook wel uit de gevolgen die de wetgever aan intrekking verbindt: de instelling wordt ontbonden en haar bezit wordt toebedeeld aan andere corporaties. De wetgever heeft zo willen voorkomen dat kapitaal dat uitsluitend ten dienste staat aan de volkshuisvesting, uit het corporatiebestel wordt geloodst. Het is in dat licht onbestaanbaar dat een corporatie op eigen initiatief en met medeneming van haar kapitaal uit het bestel zou kunnen stappen.

Dat corporaties massaal overwegen uit het bestel te stappen is niet zorgwekkend omdat die mogelijkheid inderdaad zou bestaan. Het is zorgwekkend omdat die corporaties menen dat zij de volkshuisvesting beter ten dienste kunnen staan buiten het corporatiebestel. De klachten van de corporaties zijn genoegzaam bekend en het wordt hoog tijd dat daar eens naar geluisterd wordt. Een debat over de (her)inrichting van het bestel is hoog nodig. Terecht vraagt de Kamer de minister om haast te maken met het doen van voorstellen daartoe.

Stan Baggen